2 augustus 2007
|
|
“Het pruimenhuis van Agen” staat er op de pui van de
Confiserie die al
een poosje ter ziele is. Na een laat ontbijt met pruimen uit de streek
wandel ik door Agen.
Gisteren rond middernacht reed ik door Puymirol waar de gastheer van de
Aubergade mij een kamer van
vijfhonderd Euro voor de helft aanbood. Een droom van een kamer maar
niet voor mij.
De gastheer belde voor me rond om wat eenvoudigers te reserveren en zo
kwam ik in Agen terecht.
Tegen het middaguur houden de meeste mensen van de stad zich al schuil voor de felle zon en ik loop door lege straten. De stoplichten bij oversteekplaatsen klikken en tikken door alsof er ook anderen zijn. Ik fotografeer een deur die zonder lak weinig te vrezen heeft van regen maar des te meer van de zon die ongenadig op het hout brandt. Het contrast tussen zon en schaduw is net zo sterk over een stalen brug bij het station, waar een stem over de perrons galmt. Een trein, een passagier. In Ste Livrade-sur-Lot staan in een tuin wagens geparkeerd. Er is al een poos niet mee gereden. Ik vind dat mooi, de rust die een wagen uitstraalt als hij langzaamaan wordt overwoekerd. Kalm sterven in de zon. Op de begraafplaats zijn sommige overledenen meer dood dan anderen. Bij de ingang heeft de burgemeester in 2003 een lijst gehangen van de genummerde graven met daarbij de namen voor zover die nog konden worden achterhaald. Veel graven zijn inconnu en bij een aantal stenen staan bordjes met het verzoek om informatie. Als niemand meer weet wie er ligt, wordt er geruimd. Weggeroeste grafmonumenten, een kleine ruïne voor een familie die bij leven misschien wel heel hecht is geweest. “RE” zeggen twee losliggende letters tussen het mos op een grafsteen. Het lijkt me duidelijk wat ermee wordt bedoeld, en toch zou ik het niet kunnen verwoorden. Aan de andere kant van het dorp kijkt een restant van de stadswallen hoog en trots uit over de omgeving. In de Lot, de rivier die Villeneuve diep in twee snijdt, hebben jongens een grote vis gevangen. Het op de kade gesleurde beest lijkt gestikt, maar als een van de jongens ermee in het troebele water gaat zitten en het dier streelt, gaapt de vis tweemaal en laat zich dan behoedzaam uit de armen van de jongen glijden, terug naar zijn jachtgebied onder de hoge brug. In de oude stad aan de andere oever wacht ik in de schaduw van een plein. Vanuit de straten die op het plein uitkomen waait er koelere lucht, maar midden op het plein is het nog erg heet boven de keien. Een kleine zware vrouw stapt langzaam op de schaduw af. Ik ontmoet Ria en Ruth. Met Ria heb ik tijdens de examenfeesten van onze middelbare school kort opgetrokken. Dertig jaar geleden hadden we ons net verlost van de schooltijd die we nu in een paar anekdotes vangen en zonder moeite vertellen we ons door die drie decennia heen naar vandaag. We zijn onvergelijkbaar anders dan toen en toch in wezen dezelfde mensen. Ruth, een Friezin, is met haar ouders naar Frankrijk gekomen en hier gebleven toen zij terugkeerden. De volgende dag neemt Ria vrij en we rijden naar Penne, een dorp hoog in de heuvels. Ook hier houdt de zon de meeste mensen weg. Op de top van de heuvel staat een kerk. Binnen is het koel met helder licht door het gebrandschilderde glas. Op de begraafplaats naast de kerk is op enkele oude stenen een bordje gemonteerd waarop staat dat dit graf voor “l'éternité” is gekocht, maar juist de eeuwige graven zien er vergeten uit, de claims op oneindigeheid hangen er aan de laatste schroef weg te roesten. Een hagedis houdt een ogenblik stil voor me en als een vluchtige streling verdwijnt hij over de stenen. |
|