|
|
“Alsjeblieft”, zei een Duitse vriendin, “als je deze plant
in leven kunt houden, dan ben je
beziehungsfähig, dan kun je ook een relatie in stand
houden.”
Ze gaf me een bloeiende orchidee, een plant, een klein zwart plastic bakje waarin de wortels lagen opgerold waaruit drie lange slungels van stengels staken met elk bovenin een wolk van bloesem. Van afstand was het een plant van niks, van dichterbij vond ik het lijken alsof de natuur de nep imiteerde, de nep voor gek zette... de witte bloemblaadjes zagen er plastic uit en ieder hart deed me denken aan een vulgair oud wijf dat zich nog wulps wil kleden in tijgermotief. Het waren er teveel, al die bloemen, te uitbundig, een ballet van louter prima donna's, visuele herrie. De steeltjes waren in contrast daarmee zo lang en kaal en in het potje hadden de wortels nauwelijks aarde meegekregen van de kweker. Water vloeide erdoor, werd niet vastgehouden. Zo kon ik die “beziehungsfähigkeit” wel op mijn buik schrijven. Af en toe heb ik uit de fles een scheut Spa-rood in het potje gegoten. Bronwater bevat allerlei mineralen waar planten behoefte aan hebben, neem ik aan, en een orchidee heeft een bruisende ziel die zich met bubbels voedt. Zo af en toe vond ik een verdroogde bloem naast het potje. Verdroogd zijn ze bijna mooier, allereerst omdat zo'n bloem dan op zichzelf is. Want ze vallen een voor een. De kleuren zijn verschoten, het voorheen zo vlezige bloemblad vliesdun gerimpeld en de dikke groene steel is ingedroogd tot een sterke gesponnen draad waarmee je de bloem kunt oppakken. Op een gegeven moment heb ik de stelen geknipt en in een wijnfles op water gezet. Zonder plant bleven de bloemen nog lang goed en nu staat de laatste fier te wachten op iets dat niet gaat gebeuren, een insect dat niet gaat komen. Eindelijk alleen. |
|