|
Ergens in Afrika loopt een kudde olifanten door hun wereld. Hoewel ze kalm wandelen,
straalt er
een intimiderende kracht van de groep uit. Je kunt zien waar ze hebben gelopen: een
breed spoor van neergehaalde bomen. De bomen stonden in de weg, overal omheen wandelen is
lastig, dus dan maar dwars eroverheen, en voort.
Ze staat te peinzen voor het witte doek. Dan gaat ze aan het werk. Kalm en krachtig bewerkt ze het doek, met lijm, met verf uit tubes, potten en spuitbussen. Kwasten, een plamuurmes, krijt. Een olifant worstelt om tevoorschijn te komen. Hier en daar kun je de huid al bijna aanraken. Een oog staat niet goed en verdwijnt weer. Een flapoor krijgt een nieuwe vorm. Soms aarzelt ze, als ze het doek bekijkt, dan weer is het wachten op een later uur met ander licht, of zet ze het doek op zijn kant, en terug, om er met andere ogen naar te kijken, er achter te komen wat er niet klopt. Maar als ze aan het werk is, aarzelt ze niet, elke lijn wordt gezet alsof het niet anders kon. En dan is er het moment dat de olifant haar aankijkt en laat zien dat het gedaan is. |
|
|
|
|