|
|
(Tekst voor voorleesavond voor schrijvende lopers, 16 oktober 2006,
Beugelcafé De Tobbe, Deventer)
In Leiden barst er zo'n onweer los dat veel lopers nog een poosje in hun wagen blijven zitten. Mijn vriendin heeft ons gereden in de luxe wagen van haar man en we kijken elkaar lang aan. De hagel slaat op de wagen en trekt een gordijn om ons heen. Niemand kan ons zien. De bui trekt over en we wandelen hand in hand naar de start. Als ik haar twee uur later voorbij zie komen en haar trots mijn halve marathontijd toeroep, draait ze zich om en wijst naar me. “Als je onder de een veertig loopt, dán doe je mee” zegt ze en ze rent voort. Meer gemotiveerd voelde ik me zelden en een week later, met de stijfheid van mijn eerste halve nog in de kuiten ren ik in Zwolle naar een zevenendertig. Ik mag blijven en meedoen, al loop ik eerst zes weken met pijnlijke voeten... Ik blijf echter vooral toeschouwer en leer zo andere supporters kennen. Tijdens een nachtelijke honderd kilometer spreek ik met de lieve nerveuze vrouw van een kleine magere Amerikaan. Hij is erop gespitst om zich te kwalificeren voor het Amerikaanse team, hij moet een snelle tijd klokken, zij zit naast me langs de kant om hem te verzorgen. Waar haalt ze de toewijding vandaan, vraag ik haar. Nou, nergens. ze doet haar best en daar doen ze het mee. Ze vertelt dat hij eens uitgedroogd raakte tijdens een zomerse honderd kilometerwedstrijd in de bergen. Euforisch kwam hij voorbij, riep dat hij vleugels had. Even later haalde een collega loper hem uit een weiland waar hij met de koeien danste. Hij werd uit de wedstrijd genomen en meldde zich bij zijn vrouw met de geheimzinnige woorden “the trees are after me!” Daar komt hij al aan en ze rent voor hem uit, met hem mee, banaan in een hand, flesje in de andere hand. Even later komt ze bedrukt terugslenteren uit het duister. “Zijn pet... heb ik zijn banaan die hij niet wil, drinken dat hij niet wil maar zijn pet die hij moest hebben ben ik vergeten. Oh shit wat zal hij boos zijn! Straks wordt het kil op het parcours en krijgt hij het koud om zijn kale koppie en hij is al zo'n magere lat, geen vetlaagje... dat wordt afzien en ik heb het gedaan. Now I'm not getting any!” Ik probeer haar gerust te stellen. Wat is het ergste dat er kan gebeuren, vraag ik haar. Dat hij een ander meeneemt de volgende keer om een nacht lang in de kou op een houten stoeltje op zijn doorkomst te wachten? Alsof er een ander voor is te porren! Ze moet erom lachen en ik haal nog een kop koffie voor ons in het café dat al bijna gaat sluiten terwijl wij nog uren blijven waken. Een poos later, nog ver voor de dageraad, is de finish in het oude stadscentrum. Behalve een paar officials, trainers en naasten bestaat het publiek uit beschonken stedelingen die de weg naar huis kwijt zijn. Mijn lief is dan al terug, ze heeft opgegeven na zestig kilometer, wat me goed uitkomt want dan kunnen we de volgende dag nog samen uit, staan haar benen niet in de honderdkilometerkramp. Ze is gestopt uit liefde, misschien. Af en toe loop ik ook nog, op zoek naar het gevoel waarmee we ooit begonnen, en om te genieten van wat er gebeurt. Zo loop ik naar dierbare herinneringen die ik alleen met hardlopen zou kunnen krijgen. Het smalle, kaarsrechte oneindige bospad in Diever, de drankpost aan het begin ervan als een laatste station. Het pad dat ik vier keer loop, dat met elke ronde langer wordt, eenzamer. Waar ik op de laatste ronde van mijn eerste en enige marathon met mezelf onderhandel: twintig stappen wandelen en tachtig hard. Twintig stappen, tachtig hard. De partjes sinaasappel die nooit van mijn leven lekkerder waren dan aan de finish daar in Diever. Zo'n dorst te hebben, zo'n verlangen naar suiker en een schaal vol kwarten sinaasappel om me trillend van lust aan te vergrijpen, nog een, en nog een. De douche na de minimarathon op de midwinterdag van Apeldoorn. Het warme water raakt al op en toch is de straal lekkerder dan thuis. Dan in een herboren lijf naar een van de sportkantines wandelen en stil tussen al die onbekenden napeinzen. Kijken, luisteren, al die mensen die elkaar hun verhaal vertellen. Een meisje die haar onderkoelde vriend in de armen neemt tot er weer wat kleur op zijn gezicht verschijnt. En tenslotte aan de finish staan wachten op mijn lief die vrolijk grijnzend heeft afgezien en op de laatste kilometer vleugels krijgt waar anderen moeten doorbijten. Stralend komt ze voorbij, zwaait naar de speaker die haar naam zingt -- ze is voorbij, rent naar de finishmatten die opgewonden piepen, drukt op haar stopwatchhorloge en wandelt tevreden verder. Ze is er weer, en ook weer niet. Ze zweeft op een andere planeet met lopers die haar afstand liepen, dezelfde opiaten in hun bloedbaan streden. Pas later, thuis, een nieuwe dag, komt ze werkelijk aan, en is onze afstand gelopen. Het was een lieve mooie tocht. |