Home

Grijs

19 september 2007



Een man in een grijze Mercedes heeft in een buitenwijk getankt zonder te betalen en hij zou onderweg kunnen zijn naar Nijmegen. De politiewagen waarin ik te gast ben suist met ongekende snelheid over de Rijnbrug en vanaf de achterbank luister ik mee naar de boordradio. Even later wordt de actie afgeblazen. De gezochte wagen kan alle kanten uit zijn.

Een jonge man met een keukenmes in de hand belt aan bij een gesloten kroeg en hij tuurt naar binnen. Voor hij een restaurant aan de overkant binnenstapt, stopt hij het mes weg in een bloembak. We zoeken hem op en hij komt met zijn verhaal: “Een vriend van me had daar laatst ruzie, hij pakte een mes uit de keuken en liep er mee weg. Ik ging dat mes even terug brengen.” Hij wil de naam van die vriend niet noemen en als hij de naam toch noemt, zegt hij geen telefoonnummer van 'm te hebben, daarna geeft hij toe dat hij dat nummer natuurlijk wel heeft maar dat hij die liever niet geeft en tenslotte geeft hij ook het nummer. Er is niets gebeurd, het mes is in beslag genomen en we rijden weer verder.

In een café zit een vrouw die voor de derde keer die dag voor problemen zorgt door drank te bestellen en niets af te rekenen. Het is een blonde vrouw met een naam die Pools klinkt. Ze zit stilletjes aan haar tafeltje en ze vindt alles best. De serveerster begon het vreemd te vinden dat ze daar zo dromerig voor zich uit staarde en op een gegeven moment afwisselend zat te lachen en te huilen. We nemen haar mee naar het bureau en het lijkt erop dat ze wel blij is met haar cel, de warme dekens die komen en de boterham. Ze stopt grijnzend haar spullen in een kluisje, wil haar shag, vloei en aansteker meenemen maar vindt het geen probleem als dat niet mag. Mijn gastheer desinfecteert intussen zijn handboeien met een spuitbus, “zodat de volgende ook een paar schone boeien om krijgt” en we gaan de straat weer op.

Naast de oude Rijnbrug ligt een boot die is beschilderd in abstract zwart-wit zebramotief. Hier kunnen drugsverslaafden terecht voor methadon en gezelligheid. Onder de brug hangen wat verslaafden rond, vandaag met een nieuweling, een jongen met een Dalmatiër. De zwart-wit gestippelde hond past wel bij de boot. De mannen wordt gezegd dat ze op moeten krassen want het is verboden om in de omgeving van de boot rond te hangen. Ze maken aanstalten om te vertrekken maar vijf minuten later zitten ze er alweer en nu klinkt de laatste waarschuwing. Straks nog maar eens kijken en anders meenemen.

Op het bureau drinken we koffie en intussen worden de eerste rapporten geschreven. Samen met de hulpofficier van justitie wordt gezocht naar de juiste formulering over de ‘flessentrekkerij’ van de Poolse vrouw. Ze heeft in een eerste verhoor toegegeven dat de indruk wilde wekken dat ze zou betalen, maar over afrekenen werd pas op het laatst gesproken, toen de serveerster haar wilde laten vertrekken. Ik lees intussen in een politievakblad een mooi artikel over een politieman die na een wilde achtervolging last kreeg van rijangst. Met behulp van EMDR-therapie vewerkte hij de traumatische ervaring en hij doorstaat een test waarbij hij een collega op een drukke rijbaan moet achtervolgen terwijl een examinator hem vragen stelt, bijvoorbeeld welke de laatste drie verkeersborden zijn die hij passeerde. En ik lees een moppercolumn van een politieman die vindt dat er verkeerd wordt geïnvesteerd in de politiemacht. Praatjesmakers met diploma's en powerpointpresentaties zeilen omhoog in de organisatie zonder de straat te kennen, oudere herintreders stromen de organisatie binnen in functies waar anderen vele jaren naartoe moeten groeien en de diender die het werk moet doen is wegbezuinigd.

Ik word aan wat collega's voorgesteld als er door een van de mobilofoons kennelijk wat opvallends is gezegd, want in een oogwenk zitten we weer in de wagen. Aan de reflecties op verkeersborden zie ik dat de zwaailichten aan zijn gezet.

Achter het station spreken we een man van een particuliere beveiligingsdenst. Hij heeft net een schermutseling gehad met een jongen die tegen hem aan begon te duwen met zijn schouder. Een paar honderd meter verderop vinden we de jongen. Zijn lip ligt open maar hij praat vlot en veel. Hij was een groot deel van de dag zonder treinkaartje op het station, maar dat was om een vriendin op te wachten, een vrouw van wie hij de naam niet kent, die uit Den Haag zou komen maar hij wist niet op welk perron en hoe laat. Toen laat op de avond de beveiliger hem wilde wegsturen, onstond het handgemeen, maar “ik ben niet begonnen, ik wilde alleen een blikje cola oprapen dat achter hem lag, ik stootte hem niet bewust maar hij stond in de weg en toen gaf hij mij een klap en niemand moet mij slaan. Ja, ik riep ‘ik pak jou nog wel’ maar daar bedoel ik niks mee. Hoezo? Nee ik moet niet luisteren, jij moet luisteren of wou je mij slaan, of durf je dat niet mannetje? Ik wil niet met jou praten, ik praat straks wel met een ander!” De frisse handboeien zijn voor hem en op het bureau gaat hij verder met uitdagen, schamperen, beschuldigen en dreigen.

Wat mij lang bezig blijft houden is het irrationele van de mensen die we hebben gesproken. Wie gaat er op een station een dag lopen wachten op een naamloze vriendin? Met een keukenmes in de hand voor een kroeg rondscharrelen? De Poolse vrouw is veel meer kwijt dan haar portemonnee. De mensen die ‘we’ meenamen naar het bureau lijken me spoorloze zielen die zelf niet weten wat ze drijft.

Een vriend die als psychiater in opdracht van rechter of advocaat regelmatig analyses opstelt over mensen die voor het gerecht worden gebracht, schijft me: “I feel much the same way when walking in the jails here (where non-convicted people await trial and low level convicts serve their year). Both the criminals and the young guards with whom they banter remind me of the atmosphere on the ward of a private residential center for teenagers. They are all there having fun in front of an audience (a captive audience). I remind myself that the real skillful, professional criminals do not get caught. The one's who get arrested are incompetent at crime and at freedom.

“Het zijn ook geen slechte mensen meestal,” schrijft een vriendin die deze wereld van binnenuit kent, “ze zijn even slecht of goed als jij en ik, maar ze doen dingen die niet mogen. En drugshandelaars... als suiker de prijs van cocaïne had, dan handelden ze in suiker. En vaak zijn het ook mensen die eigenlijk in een opvangcentrum thuis horen en gekke dingen doen uit eenzaamheid, psychose of verslaving.”

Ik begrijp nu waarom de boot zwart-wit is... aan de buitenkant.