3 november 2007
|
|
“In die bedstee zou ik willen slapen” bedenkt ze. De
poppenhuisbeslotenheid van de kastslaapkamers past goed in het contrast
van grandeur en kuise knusheid van dit zeventiende-eeuwse grachtenpand waar op de
zolder een kerk werd verborgen.
Vandaag is de schuilkerk een museum waar vrouwelijke kunstenaars werk hebben verstopt. Op de achterwand van een bedstee verschijnen beelden van een vrouw die als een bezetene een kindje boetseert uit een pluk stokbrood. Door een zwart minischerm in een biechthok kijk je vanuit een rijdende wagen naar een rivier vol modder. Onheilspellend commentaar in de ondertitels. In de kerk hangen transparante doeken waarop de geestelijke maagden worden genoemd die hun leven in dienst stelden van het geloof en daar boven hangt een web van duistere zonnebloemen, gebreid en gehaakt van schapenwol. In de sobere keuken hangt een stralende buis aan het plafond. Twee vrouwen ontmoeten elkaar en ze gaan op de keukenstoelen zitten. In het gouden licht van de neon halo luisteren ze naar elkaar en weten ze precies die vragen te stellen die de ander tot bloei brengen. De een vertelt over haar museum waar de collectie zo is geplaatst en van informatie voorzien dat de dromer er vanzelf een weg vindt terwijl de bezoeker die alles moet weten voor hij kijkt er de informatie kan oppikken die nodig is om zijn ogen te openen. De ander vertelt over plannen met buitenlandse kunststudenten, een kleurrijke ontdekkingstocht van creatieve ambitie, scheppingswoede en vernieuwing. En ze wisselen verhalen uit over een man die ze bewonderen, een inspirerende en doortastende gespreksleider die erin slaagt om een vergadering van specialisten en bollebozen in vijf kwartier met elkaar tot nieuwe inzichten te laten komen. In zijn buurt verdoet niemand zijn tijd met breedspraak en geeft iedereen zijn beste krachten. In het gezin waar hij opgroeide werd over alles gediscussieerd en je kwam er niet mee weg als je ergens geen mening over had. Je moest er een hebben. Liefst een ándere mening. |
|
|
|
|