|
|
Stilte, vlammen en lampen in de nachtmist. Verre kastelen als
last-olifanten bijeen op een planeet van machines.
Zo zag ik de fabrieken van IJmuiden begin dit jaar toen ik mijn wagen stilzette
bij een gebouw dat vroeger een elektriciteitscentrale was.
De voormalige centrale stond daar aan het water uit te kijken naar de industrie aan de andere oever. De energiekathedraal werd gebouwd toen elektriciteit nog een uitvinding was. Vol spoelen, transformatoren en mansgrote schakelaaars voedde het de woonwijk van mensen die ginds met de machines samenwerkten. Nu is er een café en worden er concerten gegeven. Ik kom luisteren naar Bintangs, de oudste popgroep van het land. In 1961 begonnen en ze spelen nog. Zanger Frank Kraaijeveld is de enige van de oerbezetting, om hem heen spelen jongere gasten. Stoere nummers op volle kracht met een stem die altijd zwaar en schor heeft geklonken. Ik doorkruis ook het land aan de overzijde, overmand door de daverende schoonheid van een wereld die niet opzettelijk mooi is, geïntimideerd door gebouwen die niet zo gigantisch groot zijn gemaakt om indruk te maken maar die er staan omdat ze zo het meest doelmatig zijn. Een batterij schoorstenen blaast stoomwolken in de lucht temidden van een stad van staal. Ik tuur ernaar en een meeuw op spillepoten staat me vanaf een paaltje in te schatten, de staart naar de fabriek, de spitse snavel naar mij toe. De meeuw heeft van de machines niets te verwachten, maar ik heb misschien wat eten bij me. Een eind verderop, aan de kop van de haven, zie ik een vrouw achter het glas van een eethuis. Robuust zit ze daar op haar gemak in de wereld van mastodonten. In een weidse zandbak met modderpoel, aan een kant omrand door bomen die zich overeind houden tegen de wind die hier altijd waait, rijden vaders en zoons op motoren. Het roodbruin van roest kleurt transportbanen en kranen achter hen. Zwarte bergen -- kolen of erts? -- worden onder waterfonteinen koel gehouden. Vaalblauw, knalgeel en gifgroen en vlekken fel oranje steken bij elkaar af. Als dit de toneelachtergrond was van een opera, een moderne opvatting van Klingsors kasteel, dan zou ik hebben gedacht dat de werkelijkheid nooit zo mooi kon wezen, maar het ligt er zo bij. Niemand heeft die kleuren bij elkaar bedacht maar het is zo tot stand gekomen. Langs een dijk rust tijdelijk Orisant, een schip genoemd naar het Nederlandse Atlantis, een lang geleden verzonken eiland in de Oosterschelde waar ooit schaapherders woonden. In 1602 ingepolderd en 37 jaar later weer overspoeld, rust het ten noorden van Colijnsplaat. Een restant ervan, de zandplaat Vuilbaart is nog te zien vanuit de lucht. Wat doet het schip voor werk, vraag ik me af. Het lijkt me een gigantische drijvende transportband, perfect onderhouden en in de rode verf gezet. Op een pagina van de havenautoriteit Zeebrugge lees ik later dat kapitein Amedé Van Herreweghe er kort geleden met zijn Orisant is langsgevaren voor aanvoer bunkers, wat dat ook moge zijn. Op het kustvaartforum kunnen ze me meer vertellen: de sleepkop hopper-zuiger zuigt en bergt zand en grind. Trots van Nederland als baggernatie. (Meer informatie: [ 1 ], [ 2 ], [ 3 ].) Ik rijd nog langs het kantoorgebouw van staalfabriek Corus. Het ligt er verlaten bij. De architect heeft het water van de Oosterschelde voor de deur gelegd en roestrode roosterpilaren dragen de luifel van het hoge gebouw. Hoewel, hoog... de eerste de beste kraan van de afdeling productie verderop is hoger. Aan de overkant van de straat staan wat opleggers weg te roesten. Ze passen perfect bij het kantoorgebouw. Als ik sta te wachten bij het veer terug, zie ik op een simpel beletterd oud bord dat het hier de “Derde Rijksbinnenhaven” is. Wat een fantastische naam. Een Rijksbinnenhaven, en daar hebben we er minstens drie van. |