|
|
Alle luiken zijn nog
dicht in het dorpje aan de voet van de berg waarop de Acropolis
is gebouwd. Op de stoep zitten al wel een paar hippies met ingeklapte
sieradenkoffers, maar die turen stilletjes in de verte, houden de plek
bezet waar ze straks hun handel willen drijven.
Bij een handkar staat een man fruit te verkopen. Ik koop een ananas omdat ik die mooi vind. Een mes heb ik niet, dus proeven zal ik hem vermoedelijk niet vandaag. Boven vraagt een vrouw achter haar loket of ik een gids wil. Ja dat wil ik wel, maar het blijkt een man te zijn, geen boekje. Ik leg hem uit dat ik liever alleen wandel vandaag. Hij vraagt waar ik vandaan kom en hij zegt dan in half Duits half Nederlands dat de Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog door de toenmalige Duitse regeringsleider als “Duitsers van de lage landen” werden beschouwd. Dat wist ik niet. Hij vraagt me wat ik heb gestemd en vaart daarna uit tegen de socialisten die er overal een puinhoop van hebben gemaakt, vooral in Griekenland waar op een gegeven moment alle kunst werd genationaliseerd, maar ook in Nederland waar in de tijd van de contraprestatie een Nederlandse vriend, kunstschilder zoals hij, van de belastingrechter een aanslag voor miljoenen kreeg opgelegd terwijl hij niets had verdiend, zodat hij naar Griekenland moest vluchten waar hij nog elk jaar dwangbevelen krijgt zijn vaderlandse fiscus. Hij lijkt me een aardige en erudiete man die me veel kan vertellen, maar toch wil ik het liefste alleen zijn met mijn gedachten, en mijn voeten de richting laten bepalen. Boven is wat er nog over is van de gebouwen groots en toch ziet het er uit als mensenwerk. Pilaren die zo hoog staan dat ze blauwe lucht dragen. Tekens in het steen gegrift en vervaagd. Mijn oog wordt naar zulke tekens toe getrokken. Ook al weet ik dat ik er geen boodschap uit kan opmaken, het is van belang. Zoals muziek soms kan klinken alsof er iets essentieels wordt uitgelegd, een sleutel wordt gegeven zonder dat je weet voor welke deur de sleutel is bedoeld, waar het over gaat. Ze staan er, die tekens, om gezien te worden, de woorden die ze vormen zijn op steen gezet, door de tijden heen geworpen en hier terecht gekomen. Ik moet ze zien. Het waait flink, de zon wordt al warm en ik krijg dorst. Daarom ben ik blij een drinkplaats te vinden. Vier spuitmonden, ik kan kiezen en ik neem de kraan die met de wind mee spuit. In een van de vitrines van het museum staat op de onderste glasplaat tussen een stel anderen een klein stenen mannetje zonder armen verbouwereerd te kijken. Heeft hij die blik gekregen door de jaren heen, of was hij zo bedoeld? Buiten beklim ik rotsen die door talloze voeten glad zijn geworden en ik zet de ananas neer waar hij uit kan kijken over de wereld. De trotse vrucht laat zich niet intimideren door de historie van de plek en staat erbij alsof alles ooit van hem was, of zal worden. Ik laat hem daar achter. Beneden is het intussen druk geworden. Op koers naar ‘mijn’ deel van de stad loop ik langs het atelier waar een vader en zijn zoon meubels stofferen. Twee prachtige mannen, allebei geconcentreerd aan het werk gebogen, de zoon is bezig aan een driezitsbank, de vader meet en snijdt lappen stof. Ik stap zachtjes binnen om te vragen of ik mag fotograferen. De zoon wil het beslist niet hebben maar de vader vindt het goed en een ogenblik staat hij rechtop te spelen met het licht dat hij zo goed kent. |
|
|
|
|
|
|